Zaterdag 18 juni 2011, aanvang 15.30 uur in de Waalse Kerk, het Prinsenhof in Delft. Inloopconcert, toegang vrij. Duur ca. 1 uur.
Concert ter gelegenheid van 100 jaar
Genootschap van Nederlandse Componisten.
Blokfluitkwartet Capriola speelt een afwisselend programma met oude en nieuwe muziek van Nederlandse componisten. Er worden werken ten gehore gebracht van o.a. Sweelinck, Padbrué, Zagwijn, Badings, De Regt en Wagemans. Vergelijkbare muzikale vormen en genres uit verschillende perioden worden na elkaar uitgevoerd. De stukken worden voornamelijk gespeeld op Renaissance blokfluiten; blokfluiten die gemaakt zijn om samen te spelen en samen te klinken. Verschillende bezettingen met hoge en lage blokfluiten wisselen elkaar af.
Met medewerking van Harriet Schröder (blokfluiten en zang).
Genootschap van Nederlandse
Componisten >>
Pavana Philippi (Variatio [1], [2], [3]) |
Jan P. Sweelinck (1562-1621) |
Voor Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) waren o.a. dansen uitgangspunt voor het componeren van virtuoze variaties voor het klavier. Het thema van de 'Pavana Philippi' is ontleend aan een pavane (langzame dans) van de Engelse componist Peter Phillips (ca. 1560-ca. 1633). Het thema van Ballo del granduca is terug te vinden in de muziek van Intermedio VI van het spektakelstuk 'La Pellegrina' ter gelegenheid van het huwelijk van Fernando dei Medici en Christine de Lorraine (Florence, 1589). Veel van de klaviermuziek van Sweelinck is uitstekend geschikt om als blokfluitkwartet uit te voeren.
Henk Badings (1907-1987) schreef ter gelegenheid het 40-jarig jubileum van het Nederlandse Pijpersgilde in 1978 in opdracht twee kwartetten voor o.a. blokfluiten. Quartet II is een suite van dansen, waarin 16e-eeuwse dansvormen als de pavane opgenomen zijn.
In de 15e en 16e eeuw schreven componisten uit de Nederlanden liederen op Nederlandse teksten. De componisten Jacob Obrecht (ca. 1450-1505), Matthaeus Pipelare (ca. 1450-ca. 1515) en Jan van Wintelroy (fl. 1529-1567) gebruikten in de drie liederen de in die tijd gebruikelijke compositietechnieken als imitatie en homofonie op een vaak verassend instrumentale wijze.
Peter-Jan Wagemans (1952) schreef in 1979 in opdracht van de Johan Wagenaar Stichting 'Drie kleine stukken' voor blokfluitkwartet. In de partituur refereert hij aan bekende Nederlandse liedjes: 'Jan er ligt een kip in het water', 'Twee emmertjes water halen' en 'Vader Jacob'.
Hendrik de Regt (1950) heeft de afgelopen jaren veel voor de blokfluit geschreven. Partita II for Recorder Consort, 'Terpsichore' (2008) is geschreven voor een kwartet met lage blokfluiten en bevat oude (dans)vormen als de ricercare en de musette. De componist maakt hierbij gebruik van een combinatie van moderne toonreeksen en historische compositietechnieken.
Henri Zagwijn (1878-1954) schreef de 'Suite lyrique' (1954) voor het Amsterdams Blokfluitensemble (1950-1959). Het ensemble onder leiding van de in 2008 overleden Kees Otten, waarin toen ook zijn leerling Frans Brüggen speelde, voerde de suite een paar weken na het overlijden van Zagwijn voor het eerst uit. De suite bestaat uit vier delen die elk de impressies van een dagdeel laat weerklinken. In navolging van Italiaanse voorbeelden is in Nederland in de 17e eeuw de kunst van het schrijven en zingen van madrigalen beoefend.
Cornelis Tymensz. Padbrue (ca. 1592-1670) componeerde een madrigaal in vier delen op een in het Nederlands vertaald sonnet van Francesco Petrarca, waarin de betoverende krachten van een vrouw worden bezongen. Harriet Schröder zingt het madrigaal begeleid door drie blokfluiten.
Quartet III (1978) van Henk Badings, geschreven in opdracht van het Nederlandse Pijpersgilde, bestaat uit drie contrasterende delen, waarin moderne en oude compositietechnieken worden gebruikt. Opvallende zijn de ritmische effecten in de snelle delen en de rol van de basblokfluit in het langzame middendeel. Badings weet bijzonder sferen op te roepen en schildert als het ware met muziek.